Die grote heuvels zijn ook één van de redenen dat de Thai hier graag komen: de temperatuur ligt veel lager dan in de hete steden in de laagvlaktes – gemiddeld tussen de twintig en vijfentwintig graden – en de natuur levert ook nog eens schone en frisse lucht. Die natuur is bovendien prachtig: naaldbomen waar spechten enthousiast gaten in boren wisselen van plek met groene loofbomen en rijen bamboestruiken in een schitterend en haast eindeloos magnifiek berglandschap.
Bij het leuke stadje Khao Kho wandelen we over een bospaadje door een dicht groen bamboebos. Het geluid van klaterend water horen we al; de mooie Sri Dit-waterval is niet heel ver weg. Ondiepe beekjes vol bladeren stromen richting een afgrond: over bonkige rotsblokken duiken de stralen bruisend wit zo’n tien meter recht naar beneden. Langs die lange rotsmuur vormen ze losse gordijnen van water, om daarna via een heerlijk natuurlijk vijverbad, waar we lekker in zwemmen, weg te vloeien naar lagere bosbeekjes.
Wakker in de wolken
Misschien wel de mooiste natuurlijke attractie krijgen we cadeau omdat we vroeg wakker zijn. Het is nog schemerig, net na zessen, en we stappen naar buiten met een deken om, direct in een droompanorama: we kijken uit en neer op de vallei voor ons, die helemaal is gevuld met witte dikke wolken.
De dorpjes, watertjes en velden waar we gisteren waren, zijn nu verstopt onder een fluffy deken die van de ene bergtop naar de andere lijkt te zijn gespannen. Uit tentjes en kleine bungalows komen de Thai ook gapend en met mutsen op het fantastische schouwspel bewonderen en fotograferen. Blije verbazing en plezier stralen van hun gezichten af.
Nu het geleidelijk licht wordt, versterken de blauwzwarte bergen en de zachtwitte wolken elkaars kleuren. Als de zon en een lichte bries opkomen, lijken de wolken zachtjes te deinen en kleuren ze gelig en oranje aan de randen. De zonnewarmte laat ze ook langzaam oplossen: stukje bij beetje prikken steeds meer boomtoppen door het wolkendek heen, weerkaatsen zonnestralen zilver in het water van meertjes, en verschijnen silhouetten van huizen op de hellingen. Wat een schitterend begin van de dag!
Communistische guerrillastrijd
In de bergen van Phetchabun werd van 1968 tot 1981 gevochten tussen communistische guerrilla’s en het Thaise leger. Op een bergplateau waar het regeringsleger zich had ingegraven, kijken we vanuit met zandzakken beschermde schuttersputjes naast loopgraven uit over het gebied waar toen hard gevochten werd.
De duizenden doden die bij de door de opstandelingen verloren strijd gevallen zijn, worden geëerd bij het “Monument voor zij die zich opgeofferd hebben”, een viertwintig meter hoge marmeren pilaar. Het is er doodstil.
We bekijken dit stukje Thaise geschiedenis verder bij een andere voormalige legerbasis, nu het Itthi Military Base Museum, dat ook op een strategisch belangrijke hoge berg ligt. We zien een legertank die door de rebellen kapot geschoten is, indrukwekkend rijdend artilleriegeschut met grote granaten, een legergroen geverfd proppellervliegtuigje, en een helikopter die zo uit een Vietnamfilm weggevlogen kan zijn. Je mag ze allemaal aanraken, alleen er niet in of op klimmen. Thaise toeristen poseren grijnzend bij de militaire voertuigen, terwijl een stoere landgenoot uiterst serieus aan zijn familie demonstreert hoe je een grote mitrailleur op een driepoot hanteert.
Vijf verlichte Tathagatas
De vijf felwitte Tathagatas die samen het enorme centrale beeld van Wat Prathat Phasorn Kaew vormen, straalden ons al van ver tegemoet. De drukbezochte en schitterende tempel is gebouwd op een achthonderd meter hoge berg en is een belangrijk spiritueel centrum voor Phetchabun.